De afgelopen jaren is het gebruik van CBD in de wereld, binnen de EU en zeker ook binnen Nederlandaanzienlijk toegenomen. Binnen ons kantoor gaat er bijna geen week voorbij of er meldt zich een nieuwe cliënt met vragen over het gebruik van CBD, THC of andere cannabinoïden, de bereiding daarvan, distributie, verkoop of wetenschappelijk onderzoek. Aan deze cliënten is op zich goed uit te leggen wat wel en niet mag in het kader van de productie, distributie en verkoop van CBD. Wat echter een probleem begint te worden is dat onze antwoorden steeds een beetje anders moeten zijn. Zeker in een snelgroeiende markt moeten cliënten juridisch-strategisch verantwoorde keuzes kunnen maken op basis van de informatie die beschikbaar is. Maar omdat die informatie wisselt, moeten strategische keuzes in deze markt ook herhaaldelijk worden heroverwogen en aangepast.

Op de productie van CBD is de Opiumwet van toepassing. CBD wordt namelijk gewonnen uit de hennepplant. Artikel 3 van de Opiumwet verbiedt het een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
a. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
b. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
c. aanwezig te hebben;
d. te vervaardigen.
Hennep is aangewezen in lijst II en wordt gedefinieerd als elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.
Het bevoegd gezag in Nederland meent dat de productie van CBD, hoe klein ook het percentage THC is, valt onder dit verbod. Verdere verwerking is alleen toegestaan als er voor het specifieke gebruik een ontheffing is verleend conform artikel 8h of 8i Opiumwet (voor wetenschappelijk onderzoek of de productie van geneesmiddelen).

In januari 2019 ontvingen de diverse lidstaten van de VN-Commissie on Narcotic Drugs (CND) de aanbevelingen van de ‘World Health Organization Expert Committee on Drug Dependence’s (ECDD)’.
In het rapport van de commissie wordt aanbevolen om cannabis te verwijderen uit de meest risicovolle categorieën uit de toepasselijke internationale verdragen. Pure CBD en bereidingen van CBD die niet meer dan 0,2% CBD bevatten zouden op geen enkele wijze meer onderdeel uitmaken van de desbetreffende internationale verdragen voor het beheersen van het gebruik van drugs. Goed nieuws dus voor alle stakeholders bij CBD dus, dachten we. Wellicht dat op grond daarvan ook de Opiumwet kon worden aangepast. In januari ontston

Sinds 25 november 2015 kennen we de EU-Verordening 2015/2285 (Publ blad L 327/1) betreffende nieuwe voedingsmiddelen 4 . Een handeling die voortvloeit uit deze verordening is de zogenaamde Novel Food catalogue (NFC) wat een lijst is (op EU niveau) van stoffen en levensmiddelen met vermelding van hun status (wel of niet novel-nieuw). Deze lijst wordt zowel door handhavingsautoriteiten als door producenten als leidraad gebruikt, is niet bindend, maar kan wel een nadrukkelijk argument voor handhaving zijn. Over CBD werd in januari 2019 het volgende in de NFC opgenomen:

“Extracts of Cannabis sativa L in which cannabidiol (CBD) levels are higher than the CBD levels in the source Cannabis sativa L are novel in food. Cannabidiol (CBD) is one of the cannabinoids in Cannabis sativa plant. In the European Union, the cultivation of Cannabis sativa L. varieties is granted provided they are registered in the EU’s ‘Common Catalogue of Varieties of Agricultural Plant Species’ and the tetrahydrocannabinol (THC) content does not exceed 0.2 % of the plant.” The current status of Cannabidiol indicates “There was a request whether this product requires authorization under the Novel Food Regulation. According to the information available to Member States' competent authorities, this product was not used as a food or food ingredient before 15 May 1997. Therefore, before it may be placed on the market in the EU as a food or food ingredient a safety assessment under the Novel Food Regulation is required.”

De plaatsing in de NFC van CBD brengt met zich mee dat het mogelijk is dat lidstaten het standpunt in gaan nemen dat CBD niet langer op de markt mag zijn zo lang er geen safety assessment (geschiedenis van veilig gebruik) is geweest (aangetoond) zoals de Verordening Nieuwe Voedingsmiddelen die voorschrijft. Het is nog de vraag of reeds in de handel zijnde CBD-producten die hier mee geconfronteerd worden een beroep kunnen doen op de overgangsregeling bij de verordening Nieuwe Voedingsmiddelen. Het zou prettig zijn als dat duidelijk zou kunnen worden.

Inmiddels is er een aanvraag ingediend door het bedrijf Cannabis Pharma s.r.o. uit Tsjechie met als doel de veiligheid aan te tonen van een voedingssupplement met CBD voor volwassenen met een dagelijkse inname tot 130 mg (of 1,86 mg/kg lichaamsgewicht). Deze aanvraag is gebaseerd op toxicologische en andere voedselveiligheidsinformatie die in het publiek domein beschikbaar zijn.
Mocht deze aanvraag worden toegewezen zal dit de weg vrijmaken voor andere bedrijven die dezelfde voedingssupplementen aanbieden die aan alle aan de toelating gestelde voorwaarden voldoen
(Cannabis Pharma heeft geen dossierbescherming aangevraagd).

Waren het dus al spannende tijden, dat wordt de komende 2 jaar alleen maar spannender voor
stakeholders in het CBD-dossier als lid-staten allemaal hun standpunt bepalen en beleid uitrollen.
Het is van het grootste belang dat de Nederlandse overheid de markt zeer duidelijk gaat maken wat zij wel en niet gaat toestaan. De huidige situatie is dermate onzeker dat partijen in de sector bij iedere strategische beslissing met aanzienlijke niet goed in te schatten risico’s rekening moeten houden. Dat komt eventuele investeringsbeslissingen nadrukkelijk niet ten goede. Reden waarom ik zeg dat het tijd wordt dat er in Nederland ten aanzien van CBD klare wijn wordt geschonken.

3 A. Klaassen, Invloed van verzekerden bij zorgverzekeraars, 7 januari 2019, NJB 2019/4

4 Strekkende tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de
Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en
Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie